Portret van een historisch figuur: Rein Huiskamp

Voetballer-met-aanzien, Heetbossel, Sinterklaas, Zwarte Piet, kerstman, Jip de Paaskip, Cor Knor, vakbondsvoorzitter. Epenaar Rein Huiskamp (77) was het allemaal. Een verhaal maken over hem is een deel van de Eper historie beschrijven. Hij heeft zo veel meegemaakt en ondernomen, dat hij na onze telefonische afspraak als geheugensteuntje maar ‘een beetje’ heeft opgeschreven in een schriftje. Het zijn twaalf pagina’s Eper historie. In zijn huis aan de Allendelaan halen we zo veel mooie herinneringen op en vertelt hij zo veel leuke verhalen, dat ik de weergave er van maar in drie delen heb geknipt.

 

 

Rein is Zuukenaar van geboorte. Zijn wieg stond vlakbij de oude melkfabriek van Gelria. ,,Na de oorlog, in ’45, is VMI er bij gekomen. Daar, bij de grote kantine, staat een paard en dat paard kijkt naar mijn geboorteplek: aan de andere kant van de weg, tegen de beek aan, tegenover de Zuivelweg. Het huis is afgebroken, bestaat niet meer. We woonden tussen de boeren, dus we hebben in de oorlog ook geen honger geleden. We hadden brood voldoende. M’n moeder zei twee keer per week tegen me ‘Ga even karnemelk halen bij de melkfabriek’ en dan kwam ik met een emmer vol melk weer thuis. Ik hielp boer Broekhuis vaak op het land, dan mocht je als beloning mee-eten. Dan kreeg je echt roggebrood met spek, dat werd gebakken bij Bourgonje, bij de waterval. We hadden altijd genoeg te eten en te drinken.’’

 

Met zijn vriendje Marinus Wolf zong hij stiekem anti-Duitse liedjes bij de waterval. Het geluid viel daar een beetje weg door het gekletter van het water, maar het klonk wel mooi tussen die huizen. ,,Oh mijn kleine herdersjongen, wat ben je toch begonnen, met al je mitrailleurs en bommen kun je lekker niet in Engeland komen.’’ En: ,,Een Engelse torpedojager wou landen aan de Duitse kust, hij wou eens aan de Führer vragen of hij nog zure bommen lust.’’

De meeste indruk in de oorlog maakte de beschieting op zaterdagavond 24 maart 1945 op munitieschepen in het Apeldoorns Kanaal door de Engelse luchtmacht. De familie Huiskamp had even daarvoor, tussen zes en zeven uur, Engelse jagers zien overvliegen en vermoedde al dat die een bombardement voorbereidden. ,,M’n vader moest zo nodig met een buurman gaan kijken, poolshoogte nemen. Even later kwamen ze terug en hoorden we de Engelsen schieten op de munitieschepen die in het kanaal lagen. M’n vader vond dat zo spannend, dat hij met de buurman op de fiets, achter de VMI langs, weer is gaan kijken. Hij was net bij de Zuukerschool toen het eerste schip de lucht in ging. M’n moeder zei: ‘Je speelt met de dood als je weggaat’. Ze was zo wijs geweest dat ze alle ramen open had gezet. Dat is ons geluk geweest, want in de omgeving was alles kapot. Het huis van Koetsier aan de Ravenstraat, de Koetsiershoeve of zo heette dat, was helemaal afgebrand, bij de Zuukerschool waren alle ruiten eruit geslagen en bij nog veel meer huizen, behalve bij ons. M’n vader had niks toen hij terugkwam, de buurman fietste met één hand aan het stuur, op de andere helft van het stuur had hij een granaatscherf gekregen, die stuurhelft was er hartstikke af. Ik was buiten, dus kon het allemaal zien.’’ 

De ochtend daarna ging kleine Rein kijken bij het kanaal. ,,Het eerste dat we zagen, was een Duitser die op de grond lag. Alleen: z’n kop was eraf. En wat zeiden we als jongens? ‘Ach,  ’t is toch maar een mof’. De jagers vlogen toen over ons heen om te kijken of ze het goed gedaan hadden. We liepen terug naar huis en halfweg, tussen Pannekoek de bakker en de school, zag ik een horloge in de berm liggen, een polshorloge. Dat was waarschijnlijk van die mof geweest. Heb ik meegenomen naar huis. Dat horloge kreeg later nog een verhaal. In april, toen Epe bevrijd was – op 17 april is Epe bevrijd - lagen de Canadezen aan de Dellenweg, net over de spoorlijn, links. Allemaal tanks en jeeps en toestanden. M’n vader had me al gezegd dat hij verlegen zat om zo’n mooie Canadezenbroek. Dus ik ging met dat horloge naar die Canadezen. Daar heb ik het horloge geruild voor zo’n broek voor mijn vader. Ach, wat kon mij dat horloge schelen als 11-jarig jochie.’’

,,Ik weet nog dat wie een fiets had, goed moest oppassen toen de Duitsers op de terugtocht waren. Ze waren allemaal lopende of met paard en wagen en zodra ze een fiets zagen, pikten ze die in. Het klonk in die tijd altijd: ‘Pas goed op je fiets’. M’n vader had de hele fiets gesloopt en alle onderdelen in de beek verstopt. Had hij dat er net allemaal netjes in gelegd, stond er een Duitser achter hem. Hahaha. Gelukkig was dat een goeie Duitser.’’

  

Rein zat vijf jaar op de Zuukerschool, precies de oorlogsjaren. Daarna verhuisde het gezin naar de Dwarsweg (,,Waar nu dokter Versteeg zit, de oude naai- en breischool.’’) en ging Rein naar de Dorpsschool. Daar werd toch wat meewarig tegen het ‘boertje uit Zuuk’ aangekeken, omdat hij op klompen liep. ,,Ik was gewoon een bezienswaardigheid.’’ De meeste andere leerlingen waren volgens Rein kinderen van ondernemers. Ze waren netjes gekleed - de meisjes met een dikke strik in het haar - en wekten de indruk dat ze zich aanvankelijk wat verheven voelden boven het ventje op klompen. Maar na verloop van tijd bleek dat de Zuukerschool qua onderwijsniveau een half jaar voor lag op de Dorpsschool. ,,Het mooiste meisje van de school zat voor mij en zei: ’Als je iets niet weet, dan help ik je wel hoor, raak maar niet in paniek’. Maar op de eerste dag kregen we een dictee, een moeilijk dictee. Maar ik had er helemaal geen moeite mee. Er was er één foutloos: dat ventje uit Zuuk. Die mooie meid vóór mij heeft me daarna nooit meer gevraagd of ze me moest helpen. Maar ik was vooral de man van geschiedenis hè’’, zegt Rein. ,,Je moest in die tijd allemaal jaartallen leren en die moest de hele klas opdreunen. Dat kon je op straat horen. Ik wist ze allemaal. 1600 Slag bij Nieuwpoort. 1602 oprichting van de VOC. 80-jarige oorlog 1568 tot 1648. Willem van Oranje vermoord 1584, door Balthasar Gerards. Hahaha, goh! Ik heb de oude rapporten nog eens nagekeken: ik had maar een 7 voor geschiedenis. Dat boertie op klomp’n uut Zuuk was toch nog….’’, zegt hij veelbetekenend.

Zijn jaren op de Zuukerschool hadden hem nog een andere voorsprong bezorgd. Op het schoolplein in Zuuk voetbalden de ‘klompenkeerlties’ altijd tijdens het speelkwartier, met een tennisbal die Reins vader had gevonden. ,,Daar heb ik toch wel leren voetballen, op het schoolplein in Zuuk. Met de klompen aan. Dan moest de roef van de klomp af en dan was er een buurman Vos, die er voor niks een draadje overheen spande.’’   

Op de Dorpsschool speelden ze met gewone schoenen en een ‘gewone’ voetbal. Rein was in technisch opzicht een van de besten. ,,Maar het is eigenlijk begonnen met buurtvoetbal. Ik woonde aan de Dwarsweg, vlakbij de Lange Veenteweg, waar we voetbalden op een weitje-achtig terrein van boer Vijge, dat was ingericht als voetbalveld. Gingen we naar de zagerij van Poll Jonker aan de Officiersweg, daar haalden we zaagsel waar we lijnen op het veld van maakten. Na de oorlog is daar het buurtvoetbal begonnen. De Rietberg was er, de Veente, een elftal van het marktplein met de Parkweg. Dat voetbalde tegen elkaar. En Norel was er ook nog, die voetbalde aan de Koepelweg of zo.’’

Hij was 12 jaar toen hij werd ingeschreven als lid van SV Epe, dat aan de Spoorlaan voetbalde. ,,Als de bal in de tuin van de buren kwam, moest je maar zien dat je ‘m terugkreeg. Die mensen verbouwden allemaal aardappels, bieten en rogge, die vonden het niet leuk als je daar tussen liep om de bal te pakken. Je moest soms een afleidingsmanoeuvre verzinnen om hem terug te krijgen. Dan wezen we een verkeerde plek aan waar de bal moest liggen en sprongen we gauw over het gaas en haalden we de bal weg. Hahaha, wat mooi. Prachtig!’’

In 1953, op 18-jarige leeftijd, maakte hij als linksback zijn debuut in het eerste elftal. ,,Ik werkte in Vaassen en we speelden op de oude Koekoek voor 3000 mensen. Dat was wat! Ik heb de hele week van tevoren moeten horen: ‘Jij gaat af als een gieter, jij maakt helemaal niks’. Een fantastische tijd.’’

,,Als je in het eerste van Epe speelde, was je wat, dan had je aanzien in het dorp. In die tijd was ik meubelmaker in Vaassen. Ik had de Ambachtsschool gehad, waar ik een diploma meubelmaker en een diploma stoffeerder had behaald. Later werkte ik als stoffeerder bij Jansonius in Epe. De mensen maakten voor mij altijd een afspraak op maandag, dan konden ze over voetballen praten. ‘Hoe kon je dat nou toch doen…’ Er waren 1500,  2000 mensen bij de wedstrijden, we speelden de grote derby’s tegen Vaassen, waar twee weken vooraf al over werd gesproken, vooral in de fabrieken als de Industrie en Vulcanus, waar zowel Epenaren als Vaassenaren werkten.’’

Anton Gabriel was trainer van de trots van Epe. ,,De beste trainer die Epe gehad heeft’’, weet Rein zeker. Hij smeedde een team van de talentvolle voetballers. Wat was zijn geheim? ,,De omgang met de jongens, binding. Gewoon omgaan met iedereen. Nooit trammelant. Als er problemen waren, werden ze opgelost, binnenskamers. Dat was de sterke kracht van Anton Gabriel. Als achterhoede hadden we maar één opdracht van Gabriel: ‘Mooi voetbal is achterin niet nodig, we houden de pot dicht vandaag. Al trap je de bal op het dak van de Ambachtsschool, al trap je hem in de tuin bij Woldyne, dichthouden die pot.’ Wat ze voorin met de bal deden, moesten ze zelf maar zien, als wij als verdediging de aanvallers van de tegenpartij maar niet bij het doel lieten komen. ‘Geen risico’s nemen!’, zei Gabriel altijd. Als we voor stonden met 1-0, wonnen we. We hadden een goed elftal, met een sterke achterhoede, met mij als linker verdediger, Jan Post als laatste man, met Peter Berends, en met Henk van Doorm in de goal. Ik was over de grond niet te passeren, ik was de man van de sliding, dat was mijn wapen, dat was algemeen bekend. In die tijd waren de links- en rechtsbuiten altijd de snelste jongens van een elftal, maar ik kon toevallig ook hard lopen. Ik moest mijn tegenstander van Gabriel in de hoek zien te drijven. Ik beschouwde links achterin het veld zoveel vierkante meter als mijn grondgebied, als daar een man in kwam, was die voor mij, dan werd die man aangepakt. Gabriel zei me ook dat hoe snel de rechtsbuiten ook was, de bal altijd een keer los van de voet kwam. Op dat moment moest ik ingrijpen. En dan was de bal voor mij. Vooral met nat weer hadden ze een slechte aan me. Thuis werd er na de wedstrijd nog wel eens gemopperd, want m’n broek was soms groener dan het gras. In 1959 werden we kampioen door Rohda Raalte te verslaan’’, aldus Rein, die acht jaar in het eerste elftal van SV Epe speelde. 

Hij leerde bij SV Epe ook z’n vrouw Gerrie Lokhorst (nu 79) van de Oost-Ravenweg in Wissel kennen. ,, Als je in het eerste elftal voetbalde had je aanzien, ook bij de meisjes.’’ Haar vader kende hij al veel langer, omdat die als melkrijder regelmatig bij de melkfabriek in Zuuk moest zijn en Rein hem vaak hielp met de melkbussen. De Zuukenaar en Wisselse zijn 52 jaar geleden getrouwd en kregen drie kinderen, van wie Henk als eigenaar van de café De Slimmerick in Epe de bekendste is.

 

Na zijn periode in Epe 1 bleef hij voetballen bij de club. Eerst in lagere elftallen, later in een veteranenelftal met vrijwel allemaal voetballers die vroeger furore hadden gemaakt in Epe 1. Hij verhuisde mee van de Spoorlaan naar de Kweekweg en uiteindelijk de Wachtelenberg. ,,Maar dat veteranenvoetbal is een beetje een flop geworden. We speelden tegen oudere mannen tegen wie we vroeger ook gespeeld hadden en tijdens de wedstrijden moesten er nogal eens wat oude rekeningen van tien of vijftien jaar geleden vereffend worden. Het ging er vaak stevig op. Toch heb ik er niet echt zware blessures aan overgehouden en heb ik nog jaren gespeeld.’’

De Eper spelers waren in de loop der jaren dikke vrienden geworden. Ook na hun actieve voetbalperiode bleven ze bij elkaar. ,,In 1977 kregen we een aanbieding om voor de ondernemers te gaan werken, op het dorp. Dat hebben we tot 1999 gedaan. We begonnen met van die grote palen in de grond met vlaggen eraan in het dorp te plaatsen. Maar later ook feestverlichting plaatsen, kerstgroen aanbrengen, reclameborden plaatsen, vlaggetjes ophangen in juli en eraf halen eind augustus, al dat soort klusjes. Daar waren we heel wat avonden druk mee, maar dat bracht ook veel geld op. Na afloop gingen we dan gezamenlijk bij Freek van Schoonhoven in ’t Verloren Spoor nog wat napraten.’’

De groep gebruikte het geld onder meer voor de tweejaarlijkse uitwisseling met voetballende leeftijdsgenoten uit Duitsland; de ene keer hier, de andere keer daar. ,,Maar op een gegeven moment kwamen we nog geld tekort. Ik zei tegen Herman Veldhuis: ‘Herman, ik weet nog wel wat anders. We gaan samen ‘heite wos’ verkopen op de braderie.’  Dat was gewoon lopende-bandwerk. Ik kom nu nog wel mensen tegen die vroeger klant bij ons waren en roepen: ‘heite wos!’. Mooi man. De ‘heite wos’ was een begrip in Epe. De worst kregen we voor inkoopprijs van Freek van Schoonhoven, dus er kwam veel geld binnen hè. We konden als veteranenelftal in financieel opzicht alles doen in vergelijking met de Duitsers, we hadden geld zat. We hebben bij voorbeeld ook een aantal jaren het sinterklaasfeest voor junioren betaald. Dat was in de kantine van SV Epe, zodat een flink deel van het geld uiteindelijk ook weer naar de club ging. Zo kwam het grootste deel van het geld dat we verdienden, uiteindelijk toch weer bij de club terecht.’’

‘Reinder uit Zuuk en Herman van de Wachtelenberg’ kregen de smaak te pakken en vormden een komisch duo dat vanaf 1977 een aantal jaren heel wat feestjes opvrolijkte met optredens waarbij ze er voor een dubbelgevouwen publiek op los improviseerden, of het nou (tijdens de oliecrisis) met de ‘peteroliekarre’ was of als de Slijpers van Parijs. Ze brachten sfeer op bruiloften en partijen, op carnavalsfeesten, deden mee aan de optocht op Koninginnedag. Als er iets te vieren was, waren de sfeermakers Rein en Herman haantje de voorste.

Terug naar de uitwisseling met de Duitsers. Daar werd immers de basis gelegd voor een nieuw opmerkelijk initiatief. ,,Met die uitwisselingen stond op het programma dat de ontvangende groep iets speciaals moest doen; een dansje helemaal verkleed, een liedje, maakte niet uit. We prakkeseerden van alles. Daar kwam uit voort dat we zijn begonnen met de oprichting van een folkloristische dansgroep, zoiets als de Cannenburgher Boerendansers. Dat was dus De Heetbossels, in 1985. We gebruikten de opbrengst van ons werk voor de ondernemers en de verkoop van ‘heite wos’ voor de aanschaf van kostuums en dergelijke. Ons eerste optreden was in het Duitse Nordhausen, een machtig groot succes. Door de jaren heen is die groep een geweldig succes geworden. Tot 1993, in dat jaar is onze muzikant Henk Blok plotseling overleden, toen zijn we ermee gestopt. We werden een dagje ouder, er vielen toch wel wat mensen af die het niet meer konden opbrengen. En we kregen bericht: de Duitsers kwamen niet meer. Oorzaak: de Duitse Mark, hun poen was op. We hebben trouwens nooit fatsoenlijk afscheid kunnen nemen van die Duitsers. Toch weer die Duitsers hè, dan denk je toch weer aan de oorlog.’’

,,Maar met De Heetbossels was het zo geweldig. We hebben heel wat optredens gehad. Op braderieën, in Duitsland, Amsterdam, in Gronau in Duitsland. Hoe we aan de naam kwamen? Nou, de melkbussen werden vroeger schoongemaakt met heideborstels hè. Anton de Wilde was één van de gangmakers, met mensen als Aart van Essen, Henk Blok met z’n accordeon natuurlijk, Luuks Visser als dansmeester. Luuks leerde ons samen met z’n vrouw Wiechertje de dansen. We zongen liedjes van onder anderen Frans Nieuwenhuis, Veluwse liedjes, maar ook het Cannenburgher Klöksien - het Vaassens volkslied. We droegen boerenkledij en hadden ook een eigen vaandel. Dat heeft nog jaren bij mij op zolder gelegen, maar het is opgevreten door de motten. Het enige wat nog over is, is de klomp waar het vaandel altijd in stond.’’ 

De inmiddels door natuurlijk verloop enigszins uitgedunde groep bleef elkaar ook na de opheffing van De Heetbossels en het einde van de uitwisseling met de Duitsers trouw. ,,We hebben meteen iets nieuws georganiseerd: we gingen een weekend naar een jeugdherberg op Terschelling. Potverteren. Maar oude voetballers waren daar niet welkom. Frans ter Horst, een man van de bouw- en houtbond in Epe met een stem die meteen heel bekend in de oren klonk, heeft toen alles voor ons geregeld. Later zijn we nog naar drie jeugdherbergen geweest, in Egmond, in Haarlem en in Oost-Kapelle op Walcheren. Ach, die binding gaat nooit verloren, die is er nog steeds. We komen nog steeds jaarlijks bij elkaar, in het Wios-gebouw. We missen wel op elke bijeenkomst vijf van onze makkers die zijn overleden: Anton de Wilde, Aart van Essen, Henk Blok, Herman Rodewijk en Luuks Visser. Luuks en zijn vrouw Wiechertje hadden altijd de algehele leiding, met Henk Blok als muzikant vormden ze een geweldig trio.‘’

Toen Rein in 1953 zijn debuut maakte als eerste-elftalspeler van SV Epe, was hij ook lid van de vakbond NVV, die in Epe de jeugdafdeling Jonge Strijd oprichtte. Rein werd de eerste voorzitter en jeugdleider, Henk Plakmeier secretaris. Rein bleef er tot 1969 bij. De vakbondsjongeren waren onder meer actief voor de VARA Speelgoedactie, waarvoor ze voor de twintig jongens en meisjes in ‘koloniehuis’ Pelzerkamp aan de Officiersweg onder meer sinterklaasfeesten organiseerden. Anton Koopman was er huismeester, Reins oom Gerrit Jan Witteveen kroop in de huid van Sinterklaas en Rein was Zwarte Piet. 

,,In 1955 kregen we een eigen gebouw, aan de Lohuizerweg, waar Wios nu zit, het oude FNV-gebouw. Tien jaar later, in 1965, is daar een stuk bij aan gebouwd, onder leiding van Piet Stegeman, zoon van een oud-raadslid. Tiemen van Westerveld, de man van bouwbedrijf Van Norel, heeft alles in zijn vrije tijd gemaakt: kozijnen, deuren, dakspanten en toestanden. En bouwvakkers – vroeger was dat nog de ANB, de Algemene Nederlandse Bouwbedrijfsbond, da’s nu Bouw- en Houtbond - werkten voor één gulden per uur. Het werd allemaal betaald door de FNV.’’ 

,,We deden ook van alles met Jonge Strijd: volleybal, wandelen, feestavonden, we hadden een muziekgroep en een toneelclub, daar trokken we in de jaren ’50 volle zalen in het Wapen van Epe mee. We zijn ook twee of drie keer Nederlands volleybalkampioen van de FNV geworden.’’

Rein wijst naar een kunstwerk aan de muur dat de Frans Slot, de bekendste leerling van de beroemde ‘pottenbakker’ Chris Lanooy, heeft gemaakt. ,,We gingen met de Jonge Strijd vaak naar pottenbakker Frans Slot. Hij heeft een keer een rood bord voor ons gebakken met ‘JS’ erop. Heb ik zelf betaald. Mooi! Dat heeft jaren op de schoorsteen gestaan, maar toen het gebouw in de jaren ’90 is overgegaan naar Wios, zijn alle prijzen die we met de Jonge Strijd hadden gewonnen, zoals vaantjes en bekers en het bord, weggeraakt. Het is allemaal naar de buurt van Beekbergen gegaan, waar het is opgeslagen in een gebouw van de vakcentrale. Ik heb het bord daarna nooit meer gezien. Dat heeft me zeer gedaan, doet me nog steeds zeer. Dat vind ik jammer, ook omdat we zo veel jaren met de groep bij Frans zijn geweest, dan gaf hij een demonstratie pottenbakken. Het zou geweldig zijn als ik dat bord nog eens ergens zou kunnen vinden.’’

Zijn optredens als Zwarte Piet in de Pelzerkamp waren ook niet zonder gevolgen gebleven. ,,Ik had dat een paar jaar gedaan en was op een gegeven moment uitgepiet. Toen ben ik zelf Sint geworden. Maar voordat ik Sint werd, ben ik hoofdpiet geworden bij de intocht. Joop Rorije was Sinterklaas. Ik had één opdracht: houd de Sint in de gaten. Alles. Z’n kostuum, z’n paard, z’n mijter, z’n baard, alles. M’n ogen dus goed de kost geven, ik deed niks anders. Mooi! Maar op een gegeven moment, ergens in de jaren ’90, ben ik dus voor mezelf begonnen als Sint.’’ 

Hij pakt wat fotoalbums waarin briefjes en tekeningen van kinderen zitten. ‘Lieve Sint….’ Sommige zijn hartverscheurend. ‘Ik heb mijn schoen al 14 dagen voor de deur staan, maar ik krijg nooit wat. Wanneer krijg ik dan iets in mijn schoen? Want we hebben geen schoorsteen. Hoe komt u dan binnen? Groetjes, Iris en Monica.’ 

Rein giert het uit van de pret. ,,Zo heb ik een heleboel van die dingen. Mooi hè.’’

 

  

,,Ik had jarenlang vaste adressen, onder meer voor de personeelsvereniging van drukkerij Hooiberg, bij de wijkvereniging Vegtelarij in de Boerderij – daar ben ik zestien keer als Sinterklaas geweest, dat was zó mooi – bij Apco, de wattenfabriek in Emst, de Van der Hulstschool, de personeelsvereniging van Herms. Ik heb de opening van Formido ook nog gedaan als Sinterklaas. In 2003 heb ik mijn ontslag genomen als Zwarte Piet, toen had ik 50 jaar in dat werk gezeten, had ik 50 jaar mee gedraafd met sinterklazen en zwarte pieten.’’

,,Sinterklaas bij de intocht ben ik nooit geworden, dat heb ik nooit gered, dat heb ik wel altijd jammer gevonden. Ik ben er nooit voor gevraagd, ben altijd hoofdpiet gebleven. Het mooiste moment van de intocht was altijd als je naar het bordes reed, dan reed je door al die mensen, dat is zó mooi. Net als op Koninginnedag, dan deden we altijd mee met de Heetbossels. Dan moest je eens zien hoeveel duizenden mensen er langs de straten stonden.’’

Hij had inmiddels ook een andere rol in het dorp gekregen. ,,In 2001 werd ik voor het eerst kerstman op de Marktwand en dat doe ik nog steeds. Gerrie zegt altijd: ‘77 jaar, dan loop je nog op de Marktwand, hoe kun je dat nou doen?’’’

Gerrie; ,,Ik denk altijd dat hij daar een keer achter blijft.’’ 

 

Maar Rein lacht die opmerking weg. Kerstman spelen is zijn lust en zijn leven.  ,,In december 2000 was het al bijna afgelopen met de oude baas. Ik had hartproblemen en heb toen een pacemaker gekregen. Maar ik ben daarna weer gewoon kerstman op de Marktwand geworden hoor. ’t Snoepie, van Monique Adelerhof, m’n buurvrouw,  is m’n vaste thuishaven. Als ik het koud of zo heb, ga ik daar altijd heen. Ik word ook altijd heel goed verzorgd op de Marktwand. Ik heb trouwens allerlei klusjes op de Marktwand gehad, met Valentijnsdag, als Cor Knor ’t varken, dan deed ik niks dan knorren, Krijn het Witte Konijn ben ik geweest, met Pasen Jip de Paaskip en Klaas de Paashaas. De grootste beloning zijn de reacties, vooral als kerstman. Als je als kerstman en als Sinterklaas iets weggeeft, ben je o zo’n lieve man, vooral voor oudjes en kinderen. Daar leef ik van. Met Showtime liep ik als oude man met een rollator, gaf ik dingen weg namens de Marktwand. Had ik een oud jasje aan, een grote stropdas voor, bril op. Kennissen van ons herkenden me niet. Liep ik met de rollator steeds tegen haar benen aan. Riep ze haar man: ‘Kom eens hier, die rare kerel slaat me steeds met de rollator tegen de benen.’ Hahaha, mooi hè. Vroeger, toen ik bij het jongerenwerk zat, hadden we elk jaar een uitvoering in het Wapen van Epe. Daar heb ik van alles gespeeld, tot aap aan toe. Dus toneel spelen kan ik wel.’’

Daarmee zijn we er nog niet, we hebben nog niet alle verdiensten van sfeermaker Rein voor het dorp gehad. Want van 1963 tot 1977 woonde hij in de flat aan de Ankerstraat en daar was hij een van de initiatiefnemers van de roemruchte Flatboys. ,,Driekwart van de bewoners was van dezelfde – mijn – leeftijd en het waren allemaal Epenaren die er woonden. Als we zelf uit gevoetbald waren, gingen we zondagsavonds allemaal nog een uurtje voetballen op het veld voor de flat. Het veldje is er nog steeds, er staat nog één doel. Allemaal jongens die voetbalden, de één bij Wissel, de ander bij Oene, bij Epe natuurlijk. Die verzamelden zich allemaal en dan gingen we voetballen. De vrouwen stonden massaal als toeschouwers op het balkon. We speelden ook wel wedstrijden in Epe en omgeving op uitnodiging. We hebben bijvoorbeeld nog gespeeld tegen cafetaria ’t Verloren Spoor, met Rein en Harry van Bessem. Daar wonnen wij van! Dat zei wat hè, als jongens van de flat. We hadden goede voetballers hoor. We gingen ook op kroamvisite, maar alleen met de kerels. Voordat we op kroamvisite gingen, hielden we zogenaamd eerst een collecte buiten, voor het kind. We hadden nooit trammelant, de vrouwen konden ook goed met elkaar opschieten.’’

,,In 1982 was iedereen vertrokken uit de flat en hebben we een reünie georganiseerd, met muziek van de Eper Bloaskapel. Driesje Koopman, die iedereen nog wel zal kennen van het lied ‘Epe mien darpien’ (hij laat meteen de originele tekst zien – JS) verrichtte de aftrap van de wedstrijd. 25 jaar later hebben we bij Henk in de Slimmerick weer een reünie gehouden. Met zestig mensen, bijna iedereen was gekomen.’’

Van al die activiteiten heeft hij albums vol foto’s, krantenknipsels en andere tastbare herinneringen. ,,De kasten puilen er van uit’’, zegt Gerrie. Het is typerend voor het rijke sociaal-culturele leven dat Rein altijd geleefd heeft – en nog leeft - in zijn eigen ‘darpien’. Want waar Rein was, daar was wat te beleven, daar was het gezellig, daar ontstond een band tussen de mensen. Het maakt hem tot een historisch figuur en een heerlijk mens om samen herinneringen mee op te halen.

 

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0
algemene voorwaarden.

Terzijde

samen

Houd vol, we moeten met z'n allen door deze crisis. Houd rekening met elkaar en wees extra lief voor iedereen die dat nodig heeft.

 

Copyright www.epernet.nl

Niets mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen.