Herman Veldhuis blijft altijd donderjagen

Als er één figuur in Epe is op wie de uitdrukking ‘Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken’ van toepassing is, is het Herman Veldhuis wel. Hij is inmiddels 71, maar zit nog steeds vol kattenkwaad. ,,Hij is altijd bezig. Als Herman dat niet heeft, is hij de oude niet’’, zegt z’n vrouw Margje. ,,Dan ben ik ziek’’, zegt hij zelf. Hij ,,kan alleen maar plat praten’’, heeft de lach aan z’n kont hangen en zit vol prachtige anekdotes over Epe en Epenaren.

Herman kent ongelooflijk veel mensen in Epe. ,,Ik ben hier geboren en getogen, heb hier 71 jaar gewoond. En ik verdiep me er ook een beetje in hè. Het komt ook door het werk, en door de voetbal. Daardoor ken ik ook heel veel mensen.’’

Hij heeft altijd ‘langs en op de weg’ gewerkt en is 60 jaar lid van SV Epe. Hij is drie, vier keer per week op de Wachtelenberg te vinden. Hij heeft daar altijd het hoogste woord. En niet alleen daar. Overal waar Herman is, hoor je hem praten en lachen en anderen grinniken en bulderen van het lachen. Hij heeft zo veel mee gemaakt, ,,ik kan er wel een boek over schrijven’’. In veel van zijn verhalen speelt hij zelf een hoofdrol. Omdat hij zijn hele leven al ‘gekkigheid’ uithaalt. Hij haalde er zelfs eens de internationale pers mee.

,,M’n moeder zei vroeger altijd dat ze niet wist van wie ik dat heb. Ze zei wel: ‘Dat heb je niet van mij’. Als je een keer vloekte, dan was ze lelijk hoor. M’n vader niet. Die was 93, lag in de Wendhorst en zei: ‘Boven de 100 gaan er weinig dood’. Misschien ben ik er wel een van een Duitser, want ik ben in de oorlog gemaakt, haha.’’

Hij vertelt het allemaal in smeuïg dialect. ,,Ik proat allejekels plat hè, ik kan helemoal nie goed Hollands. Eerlijk nie. Plat proaten is ‘t beste wa’k kan.’’

De plaats van handeling is zijn gezellige huis aan de Spoorlaan, waar hij nu 15 jaar woont. De garage is omgetoverd tot een souvenirkamer vol tastbare herinneringen aan een paar van zijn grote liefdes: SV Epe, Feyenoord en schaatsen. Hij heeft een schitterende tuin, die hij tijdens EK’s en WK’s voetbal helemaal oranje versiert.

Het huis staat aan de rand van de Hoge Weerd, de wijk waarin hij is opgegroeid. Zijn wieg stond aan de Papenstraat, maar voor zijn gevoel was dat aan de Hoge Weerd, waar zijn ouders een boerderij hadden op de plek waar nu het cafetaria is, naast de Dekamarkt. ,,Daar heb ik altijd gewoond, zeg maar. Ik heb vanaf m’n achtste jaar op de Hoge Weerd gewoond. M’n vader en moeder zijn er weggekocht toen de nieuwbouw daar kwam. Toen zijn ze naar de Brakerweg gegaan.’’

Er stonden wat verspreid liggende huizen en boerderijtjes aan een zandweggetje. Een aantal bewoners had er een stukje landbouwgrond bij. Iedereen kende elkaar. Het was in een tijd waarin de Epenaren elkaar bij wijze van spreken allemaal kenden. Herman had één broertje en één zusje.

,,Het was prachtig om daar te wonen, aan dat zandweggetje. Er lag wel vaak modder. ’Verlengde Modderstraat’, zeiden ze vaak. Toen ik nog een jochie was, had je de vuilnisbelt achter Hans en Grietje liggen. Daar gingen we altijd oud ijzer zoeken. Dan gooiden we dat achter de hooiberg. Een neef van mij uit Wenum had een vrachtwagen en handelde er ook een beetje in. Hij kocht dat oud ijzer van ons. Willem Das, Pietje Das z’n vader, handelde in oud ijzer en was dan wel eens lelijk op ons, want dan waren we hem te glad af geweest. Hij zocht er ook oud ijzer. Er werd vroeger van alles op gegooid. Troep, alles lag er, alles door elkaar. Niers stortte er ook altijd. Zo vet joh. Machtig stinken. Je kon het ongedierte horen piepen. Er liepen ratten in en ook andere beesten die veel lawaai maakten, de hele buurt had er last van. De ballonnenfabriek uit Wissel bracht er ook rommel. Dan haalden wij de ballonnen er nog wel eens uit, die half kapot waren. Daar zaten wij weer met de mond in te blazen. Smerig hoor, als je dat nu nagaat. Maar ik ben wel gezond 71 jaar geworden hoor. Nou ja, ik heb twee nieuwe knieën. En de laatste tijd ook jicht. Maar verder ben ik hartstikke gezond, ik kan nog jaren mee.’’

Hij heeft er zo’n prachtige jeugd gehad, dat hij later een plattegrond van de toenmalige wijk heeft getekend en bij alle woningen de namen van de bewoners heeft gezet. Hij heeft bovendien van vrijwel alle woningen foto’s verzameld. Daar komen we de komende dagen, na dit in delen geknipte interview, uitgebreid op terug.

Op school – eerst de Wisselse School, later de Dorpsschool – hadden de meesters en juffen geen beste aan hem. Leren vond hij helemaal niks. Donderjagen wel. ,,Ik had altijd klompen aan. Jeurlink, de leraar, sloeg me een keer tegen de kop joh, in de vijfde klas. Het was wel terecht, want ik had wel wat gedaan wat niet mocht. Maar ik trok een klomp uit en zei: ‘Raak me nu nog eens een keer aan!’. Ik was altijd aan het donderjagen. Aan leren had ik zo’n vreselijke hekel. M’n kleindochter vroeg me een keer ‘Opa, heb je je rapport nog’. Nou, vroeger kreeg je een rapport met cijfers voor gedrag, vlijt, rekenen, taal, aardrijkskunde, geschiedenis. Aardrijkskunde? 8 Geschiedenis? Had ik altijd een 8 voor. Gedrag: 4. Vlijt: 4. Ik zeg tegen Marjolein: ‘Dat is één cijfer, die moet je bij elkaar optellen, dat is dus een 8’.’’

Je kon er als kind nog gewoon op straat voetballen, verkeer was er nauwelijks. Herman was dan ook net als alle kinderen uit de buurt in zijn vrije tijd altijd buiten. 

Driesje Koopman,,We voetbalden met de buurt altijd op de Pelzerkamp, bij Janna van Ark, waar nu die nieuwe gebouwen staan. Frits Broekhuis was er toen nog wel eens bij, die was niet helemaal goed, die wist niet welke kant hij de bal op moest schoppen. En Herman van Essen, de jongens van Van de Worp, Braakmans, Roke, Herman Huiskamp niet te vergeten. De jongens Van de Velde, Derk Bosch, Anton Koopman, de ouwe, weet je wel. En als we dan gevoetbald hadden, gingen we ‘s avonds naar Driesje Koopman. Ze las ons altijd voor uit het boek van Dik Trom. En dan gingen we een potje kaarten, dan moesten we een stuiver meebrengen. Die deed ze in een potje. Ik geloof dat ze er aan het einde altijd iets voor kocht. Toen Driesje weg ging van de Hoge Weerd, zei ze: ‘Herman, we krijgen een nieuwe zaak als we hier weggaan. Wat denk je wat er op komt te staan?’ Ik zei: ‘Dat weet ik niet.’ ‘Kleermakerij De Kromme Naald.’ Anton was toen kleermaker, die maakte ook de politiepakken. Hij was ook stoker bij het koloniehuis op de Pelzerkamp. Daar hadden ze een kelder en daar lag allemaal stro in. Daar lagen wij nog wel eens met de meiden te donderjagen. Die kelder zit er nog voor. Daar hadden ze vroeger ook aardappels in liggen. Hebben we een keer de brand in gestoken. De kinderen stonden allemaal met hun jassen buiten. Maar ze grepen ons wel. Moesten we voor straf sneeuw vegen voor het politiebureau. Aan de voorkant, dan konden ze zien of we wel aan het vegen waren. Ik weet niet of je dat er allemaal in kunt zetten. Ach, het was vroeger, het maakt ook niet uit. Het was echt kattenkwaad. Had je Fokker de politieman nog, en Malkenhorst. En de lange Selle, dat was de slimste. Een heel lange kerel. ‘s Zondagsavonds zette hij de fiets tussen de hooiberg en ons huis op de Hoge Weerd en ging hij koffie drinken. Hoefde hij niet wat te doen. Selle kon geen verkeer regelen. Stond hij op woensdagmorgen, als de paarden van de markt en over de Hoofdstraat kwamen en het allejekels druk was, op de kruising net voor de Posthoorn het verkeer te regelen. Dan moest hij eerst die en dan die doen, maar hij liet altijd alles op elkaar rijden, hij kon er niks van. Dat is algemeen bekend in Epe hoor.’’

Het interview met Herman is in vier delen gesplitst.

Deel 2, 'Ik heb een machtige tijd gehad', staat hier

Deel 3, 'Leo Beenhakker heeft meer van ons geleerd dan wij van hem', staat hier

Deel 4, Even een internationaal beroemde schaatsgek', staat hier

 

 

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0
algemene voorwaarden.
  • Henk smaal

    Dat plat proaten klopt wel. Heb met Herman in dienst gelegen in de basis opleiding in Roermond.
    Hij speelde vanafi de eerste toneel door alleen maar in het dialect te praten. In trein altijd het hoogste woord hem mankeerde niets maar vlak voordat we de kazerne binnen liepen begon hij krom te lopen en te klagen over zijn rug.
    Het resultaat was, dat hij zo goed als de hele basis kamerwacht mocht zijn en
    dus niet mee hoefde op inspannende velddienst.

 

Iets melden of vragen?
[email protected]

 

Copyright www.epernet.nl

Niets mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen.