Peter de Lint in ‘Dat doet-ie anders nooit!’: 7. Hond-mens relatie

„Mijn hond begrijpt mij beter dan mijn man.” Dit soort uitlatingen weerkaatst af en toe binnen de vier muren van mijn spreekkamer. Niet zelden is de man in kwestie er gewoon bij en lijkt hij minder geschokt dan ik. Waarschijnlijk omdat hij dat regelmatig te horen krijgt. Hoe menselijk is een hond?

Als we de onderlinge verhoudingen binnen het gezin in de vorige eeuw onder de loep nemen, dan is er veel veranderd in de gezagsverhoudingen. Vader was de baas, wat moeder zei gebeurde en als kind moest je je mond houden. Dertig jaar geleden werden begrippen als inspraak en medezeggenschap ingevoerd; we hadden het dieren- en vrouwenbevrijdingsfront en alles werd opnieuw ‘gewogen’. De mondigheid van de kinderen werd een vanzelfsprekendheid. Ook de houding ten opzichte van huisdieren onderging in die tijd een verandering: van een hok in de tuin of zwervend op straat kregen huisdieren een plekje in huis en werden ze een verlengstuk van het gezin. De naam werd eveneens aangepast. Kleine huisdieren heten tegenwoordig gezelschapsdieren. Het lijkt logisch dat ook gezelschapsdieren meedoen aan het democratiseringsproces. Door ze een beetje de vrije hand te geven, kunnen ze zelf bepalen wat ze doen en laten. Daarmee worden dieren vermenselijkt en dat is niet altijd goed.

Terwijl bij mensen de meerderheid beslist, ligt dit bij honden totaal anders. Een hond is nog steeds een beetje een wolf. Hij wil graag deel uitmaken van een roedel, bijvoorbeeld een gezin. Hij richt zich op de leider en zijn secondanten (het gezin). Inspraak, vergaderen en meebeslissen is er niet bij. De leider regeert en doet dit volgens de regels die in de hondenwereld gelden. In de mensenwereld kennen we ook regels die bij onze maatschappij passen, alleen houdt niet iedereen zich eraan. Om een hond als een mens op vier poten te zien, is een biologische blunder. De psyche, bouw (anatomie) en werking (fysiologie) is afwijkend van de mens. Bij honden is een bredere variatie dan bij mensen door de grote rasverschillen. Zo zijn de mini’s (twee kilogram) eerder volwassen, leven ze langer en krijgen ze minder jongen dan de ‘giganten’ (75 kilogram).

Maag/darmen. De hond is een semi-vleeseter (carnivoor). Hij eet een bepaalde hoeveelheid eten dertig keer zo snel op als de mens. Zijn maag is drie keer zo groot en produceert zes keer zo veel zoutzuur. Zodoende kan een hond een flinke prooi in korte tijd met huid en haar verslinden. Zelfs botten kan hij verteren. Het voedseltransport door maag en darmen duurt bij de hond 20 uur en bij de mens gemiddeld 35 uur. De mens is een alleseter (omnivoor), evenals het varken.
De reuk. Het reukoppervlak is bij de hond honderd keer groter dan bij de mens. De hond keurt zijn voedsel met de neus, de mens voornamelijk met de mond.
De smaak. De mens heeft vijf keer zo veel smaakpapillen als de hond en voegt graag zout of suiker toe om deze papillen te prikkelen.
Het gehoor. De hond heeft een tweeënhalf keer zo sterk gehoor als de mens en hoort ook hogere frequenties.

Van alle diersoorten is de mens de enige die:
•    drinkt terwijl hij geen dorst heeft;
•    eet terwijl hij geen honger heeft;
•    spreekt terwijl hij niets te zeggen heeft;
•    seks heeft terwijl hij zich niet wil voortplanten;
•    er wel lang over stuntelt voor hij op eigen benen staat.
De hond is na de geboorte binnen een paar weken zindelijk, kan zich na een paar maanden al aardig redden en is ruim voor zijn eerste verjaardag zelfstandig. Hoefdieren rennen een paar dagen na de geboorte al met de kudde mee. Wat zijn wij toch eigenlijk stumpers! De mens is pas op de leeftijd van 18 jaar zelfstandig, het kan ook wel eens 25 jaar worden en sommigen leren nooit om op eigen benen te staan.
Leeftijd. Het is onjuist de leeftijd van een hond met zes of zeven te vermenigvuldigen om die te vergelijken met de leeftijd van een mens. Een hond groeit extreem snel en kan vanaf zes weken al zonder moedermelk. Een gemiddelde hond (20 kilogram) van 1 jaar komt overeen met een mens van 20 jaar. Een hond van 3 jaar komt overeen met een mens van 30 jaar, van 5 jaar met een mens van 40 jaar, van 15 jaar met een mens van 90 jaar. Bij kleine rassen verloopt de leeftijdscurve wat vlakker, bij grote rassen wat steiler. Een dog van 10 jaar is te vergelijken met een mens van 90, terwijl een dwergpoedel van 10 overeenkomt met een mens van 60 jaar.
Hersenen. Een hond slaat ervaringen op, positieve en negatieve en laat zich daardoor leiden bij het nemen van beslissingen. Zo gaat hij graag bij de slager naar binnen, maar liever niet bij de dierenarts.

Onze grote hersenen zijn zo ontwikkeld dat we zelfstandig kunnen denken. Daarmee kunnen we dieren, machines en zelfs moeder aarde voor ons karretje spannen. De mens is daarbij hondsbrutaal en doet alsof de wereld van hem is. Het rentmeesterschap zou een stuk succesvoller zijn als we naast ons brein ook ons gezond verstand zouden gebruiken.

 

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0
algemene voorwaarden.
  • Geen reacties gevonden

Iets melden of vragen?
[email protected]

Copyright www.epernet.nl

Niets mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen.