Peter de Lint in ‘Dat doet-ie anders nooit!’: 2. Don Bouwmeester

DonBouwmeesterBW 180815 kleinIn Spanje zijn Don Quichot en zijn schildknaap Sancho Panza overbekend, beroemd eigenlijk. Voor Maarten Toonder moeten ze een inspiratiebron geweest zijn voor zijn striphelden Heer Olivier B. Bommel en zijn knecht Tom Poes, papieren helden. Niet ver buiten Epe woonde in een afgelegen hoek van de praktijk een boer die erg leek op Don Quichot, de dolende ridder van La Mancha, maar dan van vlees en bloed.

Allereerst het uiterlijk. Hij had hetzelfde lange, magere lijf als de ridder. Zijn gezicht stond altijd strak, hij had uitstekende jukbeenderen en een verwarde blik. Terwijl iedereen de veearts met ‘meneer’ aansprak, draaide hij de rollen om. Als hij belde ging het zo: „Dag Van ‘t Land, je spreekt met meneer Bouwmeester, ik heb een zieke koe.” Het leek een grap, maar de oude Bouwmeester maakte nooit grappen. Op zich was het uniek, daarom werd hij in de praktijk altijd ‘meneer Bouwmeester’ genoemd, dan wist iedereen over wie het ging.

De heer ‘Don’ Bouwmeester had net als Don Quichot een niet aflatende achterdocht tegen de rest van de mensheid. Die mensheid bestond vooral uit zijn buren, want veel verder waagde hij zich niet van huis. Dit in tegenstelling tot Don Quichot, die heel La Mancha door trok, een gebied zo groot als Nederland, om windmolens en ander kwaad te bestrijden.

DonBouwmeesterBW 180815

De cartoon van Erwin van Versendaal bij dit verhaal.

Don Bouwmeester hield het overzichtelijk. Hij had liever een verre buur dan een goede vriend. Z’n buren woonden veel te dichtbij naar zijn zin en dat was erg bedreigend. Hij had dan ook een drie meter hoog hek van kippengaas rond zijn erf. Don Bouwmeester woonde daar samen met z’n vrouw en z’n zoon Teun. Alle middenstanders en andere dienstverleners die de buren tot klant hadden, waren bij hem niet welkom. De enige uitzondering was de veearts, want daar was er in de wijde omtrek maar één van. Don Bouwmeester had ook een eigen weg aangelegd naar zijn huis die niemand anders mocht gebruiken. Soms groef hij een gat in de weg van de buren om eventuele bezoekers en de buren dwars te zitten. Ja, de oude Bouwmeester was zeer vijandig bij alles wat bij hem
in de buurt kwam. Mogelijk heeft hij daardoor de dood lang van zich af kunnen houden. Zijn vrouw was meer toegankelijk en overleed op 65-jarige leeftijd. De beide mannen waren vanaf dat moment alleen. Zoon Teun was ook knap eigenaardig, maar zeker niet mensvijandig, eerder mensenschuw.

Een jaar of tien na de dood van moeder Bouwmeester kwam Ties voor een koe die al een week aan de nageboorte stond. Zoon Teun had gebeld. Een week aan de nageboorte zou voor de meeste diersoorten fataal zijn, maar bij herkauwers kan de nageboorte ongestraft een poos blijven zitten. De nageboorte hing als een vlezig stelsel van vliezen tot op de grond en begon elke dag harder te stinken. De staart zwaaide er de hele dag langs en werd zo langzamerhand net zo ranzig als de glibberige massa die uit de schede hing. Tijdens het melken kon zo’n staart lekker in je gezicht zwaaien. De meeste mensen kenden het klappen van de staart en maakten zoveel mogelijk knopen in de nageboorte, om vervolgens de ontstane knoedel met een strotouwtje vast te maken aan het koedek. Op die manier voorkwam je dat de nageboorte op de grond hing en vervuild raakte in de grup met mest en urine en ook kon de koe er niet op gaan staan bij het ‘in de benen’ komen. Dit voorkwam een glibberpartij en de nageboorte kon ook niet afscheuren. Een koe die aan de nageboorte bleef staan, kreeg altijd een deken (koedek) over zich heen, want men geloofde stellig dat warmte het afdrijven van de nageboorte zou bevorderen. Was na een week de nageboorte er nog niet af, dan kreeg het arme dier er nog een dek bij. Uiteindelijk kregen ze het gelijk aan hun kant, want op de negende, uiterlijk de tiende dag na ‘het melk worden’ (geboorte), kwam elke nageboorte er af. De dierenarts moest er ondertussen voor zorgen dat het dier niet al te ziek werd. Pas later werd bekend dat koeien slecht tegen warmte kunnen en een temperatuur tussen 0 en 10 graden het prettigst vinden. In ieder geval geven ze bij die temperatuur de meeste melk en dat zal niet voor niets zijn.

De oude Bouwmeester moest zo langzamerhand de 85 jaar ruim gepasseerd zijn en de laatste keer dat Ties hem gezien had, liep hij als een soort fossiel z’n omheining te inspecteren. Hij was nog magerder en schonkiger geworden dan voorheen en z’n gezicht begon steeds meer te lijken op dat van Ramses II zoals die er tegenwoordig uitziet in het Egyptisch Museum in Caïro. Het leek wel of de dood hem helemaal vergat, hoewel dat niet z’n gewoonte was; de dood was immers nog nooit iemand vergeten.

Na het behandelen van de koe had Ties de behoefte om zijn handen te wassen. Het voorhuis was eigenlijk één vertrek. Het bestond uit een tafel met een paar stoelen, een keukenhoek en een paar bedsteden. Achteloos vroeg Ties hoe het met pa ging. „Och”, antwoordde Teun, „da’s nie veul meer.” Bij het binnenkomen zag Ties pa rechtop in de bedstee zitten. Pa was groot en de bedstee klein, dus er was geen andere optie. Ties had z’n handen gewassen en keek nog eens naar het roerloze lichaam in de bedstee en vond het toch wel erg levenloos. Wat te doen? Ties was een jonge vent van 28 jaar en wilde geen zaken overhoop halen die hij niet kon overzien. Verder was het geen kwestie van leven, maar meer van dood en daar was niet zo’n haast bij. Als de oude dood was, zou Teun dat zelf wel ontdekken, misschien wilde hij er nog niet aan. Teun zat er waarschijnlijk niet op te wachten dat de jonge dierenarts zich er mee ging bemoeien. Hij had de oren nogal ‘kort aan de kop’ en dan kon hij zo maar heel kwaad worden. Zo rechtvaardigde Ties zich om zonder verdere actie te vertrekken.Eenmaal buiten had hij er toch geen vrede mee. Hij kwam op z’n schreden terug en zei in de deuropening: „Teun, ik vertrouw het niks met je vader, je moet vandaag nog wel de dokter laten komen.”

Een paar dagen later hoorde Ties in de praktijk: „Heb je het al gehoord, de oude Bouwmeester is ook dood. De begrafenisondernemers hadden er flink moeite mee, ze konden hem eerst niet uit de bedstee krijgen en daarna niet in de kist.” Een legende was gestorven, precies 400 jaar na Don Quichot. Deze dolende ridder was gek geworden door het te veel lezen van ridderromans en heldensagen. Windmolens waren de vertegenwoordigers van het kwaad, die moest je bevechten. Hij was misschien zijn tijd wel vooruit, mogelijk blijkt over 50 jaar dat de windmolenparken die nu op zee gepland zijn, een grotere zotheid zijn dan de avonturen van Don Quichot.

En Teun? Toen hij eenmaal AOW kreeg, voelde hij zich een rijk man. Elke dag kwam er een zorgzame werkster aan huis om een beetje het huishouden te doen en wat gezelligheid te brengen. Van zijn AOW kon hij haar ruimschoots betalen. Langzamerhand verdwenen de hekken rondom het terrein. Hij had een tevreden oude dag.
Ties dacht nog wel eens terug aan Don Bouwmeester. Twintig jaar later zou hij het heel anders aangepakt hebben, voortvarender. Hij zou eerst maar eens gekeken hebben of de oude baas inderdaad levenloos was, vervolgens zou hij de huisarts ingelicht hebben en die had zijn plan kunnen trekken. Ja, zo was het vast gegaan.

 

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0
algemene voorwaarden.
  • Geen reacties gevonden

Iets melden of vragen?
[email protected]

Copyright www.epernet.nl

Niets mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen.