Epe van toen: de Oosterenk, Epox en Niers

1977 vetsmelterij 1U heeft van ons nog wat oude foto’s te goed die we eind vorig jaar van Rob Simmers kregen. Eerder plaatsten we al foto’s van de oude Ford-garage die we van hem kregen, nu nog een paar van een fors bedrijf in Epe, met in de tekst wat zijsprongetjes.

‘Vetsmelterij Epe’, schreef Rob er bij. Het moeten foto’s van de in 1924 opgerichte NV Olie- en Vetraffinaderij De Oosterenk zijn. Er is niet veel meer informatie over de beginjaren van het bedrijf te vinden dan de naam en het jaartal. In de geschiedschrijving van de firma Niers wel. De voorloper van dat bedrijf vestigde zich eind 1915 in Epe als NV Blonk’s Export Slachterijen en Vleeschwarenfabriek. Het zat oorspronkelijk in Den Haag en werd geleid door de directeuren J.H.Niers en J.Blonk, die het wilden verhuizen. Dat Epe de nieuwe vestigingsplaats werd, was te danken aan een fietstochtje van Zwolle naar Apeldoorn tijdens een vakantie van de familie Niers. Ze kwamen in Epe en zagen meteen de voordelen van die plaats: er liep een spoorlijn, er was een kanaal vlakbij en het was een agrarisch gebied met veel boeren die varkens konden leveren. Blonk werd in de nieuwe onderneming commissaris, Niers directeur en er werkten 30 tot 40 mensen.

De komst van het bedrijf veranderde Epe definitief. Een personeelsadvertentie in het Eper Weekblad veroorzaakte een ware stormloop op het bedrijf. Al snel werd namelijk bekend dat Niers veel beter betaalde dan de andere fabrieken in Epe. Arbeiders werkten daar tien tot twaalf uur per dag (zes dagen per week in die tijd) en kregen maximaal tien gulden per week, veel anderen incasseerden niet meer dan een gulden per dag. In de zomer waren ze twee maanden vrij, waarin verschillende mensen elders moesten werken (vooral hooien bij boeren westelijk van Epe) om voor meer geld te zorgen. Niers bood salarissen en arbeidsvoorwaarden die in het westen van het land heel normaal waren: ongeschoolde arbeiders kregen tien gulden per week en half of meer geschoold personeel vijftien of zestien gulden. Bovendien was Niers de eerste die aan het eind van het jaar een winstdeling uitkeerde, in geld of in vlees. De mensen die daar werkten, hoefden ’s zomers dus niet elders aan het werk om het hoofd financieel boven water te kunnen houden.

cid image004 jpg01D60523 AangepastEnfin, de naam NV Blonk’s Export Slachterijen en Vleeschwarenfabriek werd na enige tijd veranderd in de Vereenigde Nederlandsche Bacon- en Vleeswarenfabrieken, maar dat leverde juridische problemen op en leidde er in 1923 toe dat de naam weer werd gewijzigd, ditmaal in de N.V.Veluwsche Handel Maatschappij. Die begon in 1925 een eigen raffinaderij voor (plantaardige) oliën en (voornamelijk dierlijke) vetten. In 1931 werd de onderneming gesplitst in G.H.A.Niers Bacon- en Vleeswarenfabriek, de Eper Margarinefabriek en de Olie- en Vetraffinaderij De Oosterenk. Een jaar later ging de Veluwsche Handel Maatschappij failliet en gingen Niers en de Oosterenk zelfstandig verder. In de volksmond werden beide fabrieken al snel Epox genoemd, een naam die ze uiteindelijk zelf ook, vooral in reclame-uitingen, gingen gebruiken. Epox wordt overigens ook genoemd in het Eper volkslied ‘Epe mien därpien’ van Driesje Koopman: ,,… Woar de drukkerië en de Epox stoat, woar die stoere keerls noe warken goat, woar machines roazen heel de ganse dag.’

In 1934 werd de naam ‘N.V.Olie- en Vetraffinaderij de Oosterenk’ officieel ingeschreven in het handelsregister.

Beide bedrijven maakten in de Tweede Wereldoorlog een moeilijke tijd door. Ze lagen vrijwel of geheel stil. De familie Niers roerde zich wel; als de bezetter Epenaren opriep om voor de Arbeidseinsatz te werken, verklaarde Niers dat de opgeroepen mannen in dienst waren van het bedrijf en daar niet gemist konden worden. Veel Epenaren zouden daardoor voor een langdurig verblijf in nazi-Duitsland zijn behoed. Volgens de overlevering zag de tuin van de familie er nooit zo goed uit als in die jaren; Niers beweerde tegenover de Duitsers ook dat sommige opgeroepen Epenaren als tuinman bij hem in dienst waren en daarom absoluut niet weg konden.

Enfin, beide bedrijven herstelden zich in de loop der jaren na de Tweede Wereldoorlog. We concentreren ons weer op de Oosterenk. In 1970 nam het bedrijf margarinefabriek De Valk uit Weesp over. Althans, beide bedrijven sloten een ‘belangengemeenschap’, waarbij De Valk geheel naar Epe werd overgeplaatst en geïntegreerd werd met de Oosterenk, maar zijn naam behield. Of alle 70 personeelsleden uit Weesp meeverhuisden, is niet duidelijk.

In het voorjaar van 1977 ging margarinefabriek De Valk, over in Belgische handen; het werd overgenomen door Van de Moortele. Bij de overname waren ongeveer vijftig mensen betrokken, meldt Trouw op 16 maart 1977. Het bedrijf werd overgeheveld naar de Brabantse vestiging van Van de Moortele in Oudenbosch. Volgens de Industriebond NVV was de situatie van De Valk noodlijdend geworden door problemen bij moederbedrijf De Oosterenk. Dat gebeurde na een investering van 5,5 miljoen gulden voor de bouw van een raffinage- en hardingsinstallatie, die tot de modernste in de EEG behoorde. En door de oliecrisis, die een kostenstijging veroorzaakte, plus een brand in een van de kernonderdelen tijdens de aanloopfase, melden Het Parool en NRC Handelsblad op 24 november 1977. De Oosterenk draaide het jaar ervoor nog 50 miljoen omzet.

In mei 1977 vroeg inmiddels ‘BV Olie- en vetraffinaderij De Oosterenk, tevens handelende onder de naam Epox’, surséance van betaling aan, wat op 29 september van dat jaar werd verleend. Op 23 november 1977 werd het bedrijf failliet verklaard. 50 werknemers kwamen op straat te staan.

Daarmee hield het verhaal van De Oosterenk nog niet helemaal op, want in mei 1978 nam Smilde Holding uit Heerenveen de terreinen, gebouwen en machines van de Oosterenk over. Smilde wilde de raffinaderijcapaciteit van dierlijke vetten verder vergroten en zag daarvoor kansen in Epe. Het bedrijf had ruim 800 man aan het werk en draaide een omzet van 225 miljoen gulden. In Epe zouden 15 mensen aan het werk gezet worden.

Daar houdt wat mij betreft het verhaal op, dus ik heb ernstige twijfels of die 21ste vestiging van Smilde wel ooit in Epe is gekomen. Misschien weten lezers van dit artikel meer.

vetsmelterij De Volkskrant 12 12 1969

Het gebouw op de foto's dateert uit de jaren 50, de foto's zijn gemaakt in 1977, toen de gebouwen er desolaat bij stonden. Raffinagebedrijven zaten altijd in een hoog gebouw; de olie werd naar boven gepompt en doorliep op weg naar beneden verschillende productiefasen.

1977 vetsmelterij 1

1977 vetsmelterij 2

 

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0
algemene voorwaarden.
  • TvdH

    Als uitzendkracht heb ik in 1981 bij vetsmelterij Smilde in Epe blikken met vet gevuld/

  • Bert Otterspeer

    Van 1972 tot 1998 heb ik bij deze raffinaderij gewerkt Eerst bij de familie Niers later bij de firma Smilde. Altijd een goede werkgever aan gehad met de nodige "Ups en downs" In de Smilde periode onder de bezielende leiding van Ben Kamphuis, een sociaal en betrokken mens. We hebben een fijne tijd gehad.

  • Dirk jan Beumer

    Het andere deel Niers, waar voornamelijk ham, knakworst en bacon gemaakt en ingeblikt werd, heeft nog enkele jaren langer door gedraaid. Mijn vader heeft daar van 1947 tot 1985 gewerkt.

Terzijde

samen

Houd vol, we moeten met z'n allen door deze crisis. Houd rekening met elkaar en wees extra lief voor iedereen die dat nodig heeft.

 

Copyright www.epernet.nl

Niets mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen.