Op de grote stille heide dwaalt de herder eenzaam rond en volgens dichter Pieter Louwerse (1840-1908) roept hij ‘tevree met karig loon’: ‘O, hoe schoon, hoe ver, hoe rijk is mijn heide?’ In die tijd had men een romantische kijk op het buitenleven, zolang je als dichter of schilder niet met je voeten in de mest stond en niet een groot gezin met hongerende kinderen had was het primitieve leven op het platteland iets prachtigs, een zuiver ideaal.
Dat de herder tevreden was met zijn karig loon geloof ik dus echt niet en dat hij ‘tevree’ heeft geroepen, dat zijn heide zo schoon, zo ver, zo rijk is betwijfel ik ten zeerste. Vroeger is er wat afgesappeld en afgeplagd op onze heidevelden: de schapen stonden in de potstal op heideplaggen, als die verzadigd waren van de mest werden er nieuwe in de stal gebracht, zo ontstond een steeds dikkere laag plaggen, de schapen stonden dus steeds hoger. De aldus ontstane mest was van levensbelang voor de boer, zonder mest geen oogst, kunstmest bestond nog niet en zou het leven enorm veranderen.
Onze schaapskooi is zo’n potstal, maar onze herder ploetert niet meer met heideplaggen, hij is in loondienst, geniet van zijn herdersbestaan en is niet meer afhankelijk van de mest in de stal. Het leven is voor ons allen heel comfortabel geworden, we denken minder afhankelijk te zijn van Onze Lieve Heer en de natuur, maar we zijn nu eindeloos afhankelijk van onze eigen scheppingen, als dat op den duur maar goed gaat...
onze lieve heer op de grote stille heide
de witgewolde kudde onder de blauwe hemel
bedriegt de zo graag bedrogen moderne mens
eens dwaalden zij hier, kudde hond en de herder
en zeer ontevreden met zijn karig loon roept hij
hoe rijk is mijn heide, zijn de plaggen in de stal
hoe schoon is het geploeter met schop en mest
soms de blik omhoog naar onze lieve heer
weer zo dankbaar als de schapen hoog staan
de ruggen tegen het plafond van de potstal
vruchtbaarheid op kleine kwetsbare akkers
sappelen en beulen voor een magere oogst
van haver aardappels rogge en knollen
’s avonds afgetobd aan het karig maal
drie generaties hongerig rond de tafel
het leven was te kort en te hard om te dromen
men was gedoemd te sloven en te plaggen en
te strijden tegen zand wild ziekte en de dood
onze lieve heer was verborgen in de somberheid
van de grote stille heide







Reacties
- Geen reacties gevonden
Laat je reactie achter
Reageer als gast