Bij ons in Brazilië. 222: De Dellenweg

Dellenweg 2De ligging van deze plek is wat moeilijker te raden. Ik wilde daarover ook niets schrijven omdat het iets buiten de bebouwde kom ligt. Maar aan deze voormalige spoorwegovergang op de Dellenweg en directe omgeving zijn ook veel jeugdherinneringen verbonden waaraan ik een paar woorden wil wijden.

Een belangrijk toeristisch fietspad kruist nu deze weg. Als je op de weg loopt of rijdt, dan voel je je echt buiten het dorp. Om er te komen waren er in mijn jongensjaren - en ook nu nog - talrijke toegangswegen. Van ons huis aan de Parkweg liepen of fietsten wij richting de Sint Antonieweg, die wij overstaken om de Slathstraat in te slaan en hier waren er vier mogelijkheden om bij de Dellenweg te komen. De Vlijtweg in en zo naar de Hoofdstaat, spoor over en dan links aanhouden. Of iets verderop de Paasvuurweg nemen, wat meestal onze routineweg was, om zo achter de garage van de Dijkstrabussen op de Hoofdstraat uit te komen, iets vóór de spoorwegovergang, spoor over en dan over het fietspad naar de Dellenweg.

Soms gingen wij de spoorweg over aan de Slathstraat om dan direct links bij een boerderijtje een mulle weg met fietspad te nemen die rustiger was, en vóór een kleine boerderijtje met wat weide- of akkergrond en de bomen van Lusthof op de Hoofdstraat uitkwam, bijna recht tegenover de Dellenweg. Als wij goed gemutst waren liepen wij de hele Slathstraat uit, links de Brinkgreverweg in, (genoemd na de toenmalige villa Brinkgreve, later Rozenhof) en tussen het huis de Bongerd van Niers en Lusthof door tot aan de Heerderweg. Voorzichtig staken wij die over (er was toen weinig verkeer) en wandelden de beboste Rozenhoflaan door langs wat mooie huizen en bungalows tot aan de Kortenkampweg en zo links de resterende paar meter naar de spoorwegovergang.

Wat ons vroeger zo aantrok na de overweg waren de open bossen. Daar bouwden wij hutten, daar speelden wij vlagveroveren, daar wroetten wij mossoorten op voor de kerststal, vooral sterremos. Je woelde met twee handen onder een groot stuk sterremos en kon zo een flinke plag in één keer optillen en onder in de tas leggen. Ook zochten wij daar naar cantharellen.

Ook herinner ik mij dat iets verder bij de Kamperweg een nogal diepe kuil lag, waarin je heerlijk tussen de lage boompjes naar beneden kon hollen of zelfs rollen. Eens hebben wij daar wat hutten gebouwd die lange tijd daarna er nog ongedeerd bij stonden. Ja, toch wat heimwee naar die tijd. Die streek was onze geliefde speelplaats.

Ik weet niet meer waarom er die ‘verzinking’ in het landschap was. Was het een zandafgraving voor de aanleg van de Dellenweg of misschien wel voor de ophoging van de spoordijk?
De Dellenweg zelf was bijna nooit ons hoofddoel. Als wij naar de Nieuwe Vijver wilden gingen wij via de Burgemeester van Walsumlaan, Officiersweg en Vijverlaan. Aan de Dellenweg hoek Holleweg stond ook het armoedige huisje of stulpje van Dina van Eek, met zijn idylische waterput. De mooie en soms diepe Holleweg iets verderop liepen wij ook vaak door als wij in het Norelbos bosbessen gingen plukken of eten.

Maar vooral één incident is mij altijd bijgebleven en dat heb ik eens verwoord in een verhaal dat ik hier onder de foto plaats.

Dellenweg 1
Machtswellust tegen twee jonge houthakkers

Slechts twee keer heb ik mijn vader echt kwaad gezien. De eerste keer toen hij en moeder van een oefenavond van de zangvereniging Eensgezindheid thuiskwamen en ontdekten wat mijn broer Jan had uitgespookt. Daarover een andere keer. De tweede keer gebeurde tijdens de strenge winter van 1944, toen onze hele gemeente Epe en ver daarbuiten gedurende verschillende weken onder een flink pak sneeuw lag. En zo werden de 11-jarige Jan en ik, zijn twee jaar jongere broer, de bossen in gestuurd om brandhout te sprokkelen voor het koken van de was. Dit keer gingen wij met onze houten slee met daarop wat touwen en een klein bijltje, die toen, geloof ik, een ‘hiep’ werd genoemd. Moeder deed nog een extra paar sokken over de onze heen om in de klompen maar geen koude voeten te krijgen en strikte de wollen das nog eens extra vast, al was het niet te koud voor ons. Het was makkelijk sleetje trekken langs de Parkweg, Slathstraat, Paasvuurweg, Heerderweg, bij de bewaakte spoorwegovergang oversteken, de Dellenweg op, langs de statige villa Rozenhof op de onbewaakte spoorwegovergang aan. Even uitkijken, erover en dan rechtsaf, de gemeentebossen in, waar zo tegen de Burgemeester Diepenhorstlaan aan een dicht bos stond van kleine, niet al te hoge dennenbomen. En dan pasten wij onze ‘techniek’ toe. Jan was een expert om dode boompjes op te sporen met hun al gehavende, zwarte bast en wat dorre naaldengroepen aan de uiteinden. Met zijn tweeën duwden wij dat boompje om en hakten met de hiep de kleine dode takken en wortels eraf. Het overgebleven stammetje zetten wij dan tussen twee dicht op elkaar staande sterke bomen en braken dat stammetje in verschillende kleinere stukken. Pakten dat ordelijk op ons sleetje met daar bovenop nog wat sprokkelhout voor het aanmaken van het vuur, bonden dat goed vast met de meegebrachte touwen, hiep erop bevestigd en voldaan weer op huis aan. Wat moeizaam trokken wij de slee door al die dennen, richting het wandelpad naast de Spoorweg en zo wilden we weer naar de onbewaakte spoorwegovergang van de Dellenweg terug naar huis.

Opeens kwamen uit dezelfde bossen twee lange, in zwarte uniformen geklede mannen (van de Landmacht) op ons af. Zij vertelden ons dat wij ons niet in die bossen mochten ophouden vanwege bommengevaar. Iedere keer vlogen
er vliegtuigen over en die konden het wel eens op de spoorweg gemunt hebben. Wij hoorden hen aan, zonder iets te zeggen. Maar toen één van hen onze hiep van de slee pakte en die confisqueerde, smeekten wij hem om die terug te geven. Maar tevergeefs. Met een valse glimlach nam hij hem in beslag en wij konden gaan met de woorden: ‘Laat je vader hem maar ophalen bij het oude postkantoor aan de Stationsstraat’. Wij treurig terug op huis aan. Wel met het hout, maar zonder ons werktuig om dat hout te bemachtigen. Het was ook alsof onze slee nu wat zwaarder was geworden. Moeizaam langs dezelfde wegen terug naar huis. Moeder was blij met het hout, maar vader werd, na ons verhaal, buiten zinnen van drift en sprak woorden uit die wij in onze onschuld nog niet eens kenden. De minst luidende waren ‘Verdomde donders’, ‘En ik ga er achteraan’, 'Ik zal ze leren om kinderen (dan ben je maar een kind!) te beroven’, ‘Verdomde donders zijn het. NSB- ers…. Moesten zij bij mij doen’ en meer van die taal. Dezelfde avond ging hij wat kalmer naar het oude postkantoor, bij ons om de hoek. Na een tijdje hoorden wij hem lopen op het grind naast ons huis en kwam hij triomfantelijk de keuken binnen met de hiep in zijn hand. ‘Zij hebben verontschuldigingen aangeboden’. Wie die ‘zij’ waren, zijn wij nooit te weten gekomen.

 

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0
algemene voorwaarden.
  • Geen reacties gevonden

 

Iets melden of vragen?
[email protected]

 

Copyright www.epernet.nl

Niets mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen.