Bij ons in Brazilië. 209: Ons huis aan de Parkweg

Epe 1 (Custom) (Custom)In het zwarte huis rechts ligt het beginpunt van mijn leven. Mevrouw Viegen was de vroedvrouw die mij op 31 maart 1935 professioneel in moeders armen heeft gelegd. Dr Van Twist gaf haar zijn goedkeuring. Mijn vader en broer Jan  mochten daar even bij komen om het nieuwe familielid te begroeten. Vader trots en broer Jan die het maar niets gevonden zal hebben.

Daar heb ik langzaam kennis genomen van onze kleine mensenwereld in en rondom dat huis. Vanuit de blauwe kinderwagen zag ik de eerste lentebladeren aan de bomen komen. Zo nu en dan kwam ook een vreemd gezicht met grote glimlachende ogen even om het hoekje van het kapje kjken hoe of ik er bij lag. Moeder werd veel geprezen.
Daar in dat oer-katholieke nest groeide ik bijna onbewust op. Als ik mijn natje en droogje maar had. Het was de familiesfeer die mijn hele leven bepaald heeft.

In het witte huisje naast ons woonde de familie Koedijk, de keurmeester bij slachterij Gosschalk. Gedurende de eerste jaren was ik goed bevriend met Meinie Koedijk, die dikwijls aan onze kant in de grote zandbak in een hoek achter het huis kwam spelen. Die vriendschap is altijd gebleven, via de kleuter- en de Bernardusschool. Nu door omstandigheden wat vervaagd. Ik kreeg echter zijn groeten een paar weken terug door iemand die hem gesproken had.
Op een gegeven moment is de familie Koedijk verhuisd naar de Wilforstlaan en vond ik daar dus ook een bevriend huis, met een klok in de voorkamer die ik nu nog kan horen: zo'n mooie klank had die bij het slaan van het volle uur.

In het witte huis kwam de familie Dito te wonen, met gelukkig weer een zoontje van mijn leeftijd. Omdat broer Jan nogal eens roet in het eten gooide tijdens onze spelletjes in de zandbak of op straat, was ik blij dat mijn leeftijdsgenoot Jan Dito naast ons woonde. Zij zijn wel later naar Groningen verhuisd, wat mij tijdens de vakantie van mijn seminarietijd in de gelegenheid stelde om alleen vier keer langs de kanalen in Drenthe naar die mooie stad te fietsen. Een familie Van Zuuk kwam in hun plaats daar wonen, met vooral de hartelijke vriendschap van een voor mij zeer oude, door ons zo genoemde 'Tante'.

Epe 1 (Custom)

 

Gelukkig waren er ook nog vele vriendjes die zo rond de markt of in de buurt woonden. Ik denk aan Kareltje Pannekoek aan de overkant van de toen ruime markt bij het poortje naar de winkels aan de Hoofdstraat, Jan Blok van dezelfde  Hoofdstraat, de Ettema’s op de hoek Stationstraat/Parkweg, de Van Dijks van het loodgietersbedrijf aan de andere kant van Slijkhuis. HenkViegen en Gerard Logen waren al wat ouder, zelfs ouder dan broer Jan. Er heerste een sfeer van een soort oorlogsverklaring tussen onze ‘gang’ van de Parkweg en die van de Brinklaan, waar de jongens van Van Mekeren en anderen regeerden. Wij kwamen niet in hun buurt en zij niet in de onze. De Platvoet was het niemandsland en ieder had zijn frontzijde: wij de Stationsstraat en zij de Brinklaan.

Nooit heb ik mij echt verveeld. Ook niet toen ik tegen het salamanderkacheltje kwam te vallen. Ik was wat aan het lezen in de zitkamer, wippend op de twee achterste  poten van mijn stoel, met het hete kacheltje achter mij. Opeens viel ik naar achteren, hoofd op de met kokosmatten belegde vloer en mijn beide benen omhelsden het gloedhete salamandertje. De binnenkant van mijn twee benen was helemaal verbrand en dokter Van Twist moest er aan te pas komen. De eerste behandeling deed zoveel pijn, dat ik dat nu nog voel, vooral het wassen met koud water van de open vleeswonden tussen loshangende vellen. Drie weken kon ik niet naar school en moest ik zittend met mijn twee benen uitgestrekt op een krukje. Toen ik weer naar school mocht, was mijn nieuwe vel rondom de knie wel zo vastgekleefd en ingekort, dat ik weer moest leren lopen. Mijn knieën konden de juiste knik niet meer maken. Maar met wat oefeningen ging ook dat na een paar dagen over. Dan is het toch wel fijn als je vrienden heb. Zelfs Gerard Logen die iets verderop in de Parkweg woonde en zijn zus Toos kwamen mij bezoeken. De zus van Gerard Jansen, Elly, van de Sparwinkel tegenover ons, vergezeld van haar hond Tommy, kwam ook wat lekkers brengen dat haar lieve moeder had meegegeven.
Het zijn maar kleine ervaringen, maar hebben een diepe indruk nagelaten.

Ik zie bijvoorbeeld mijn moeder achter broer Jan aanrennen met een mattenklopper in haar hand. (Dezelfde mattenklopper hangt nu in het bijkeukentje van onze flat in Belo). Jan ontkwam de felheid van haar slagen toen hij over het platte dak naar beneden sprong en gelukkig goed terechtkwam en de tuin van de Ettema’s in vloog. Toen de nervositeit van moeder weer wat afzakte, kwam hij weer thuis en was alles zo'n beetje vergeten.
Met de Zimmermans hadden wij weinig contact, al woonden zij vlak achter ons en hun lange tuin liep achter ons kleine tuintje tot aan Smijs, de eierhandelaar, aan de Dwarsweg. Was Opa Zimmerman daar de schuld van? Wij mijdden die man wat, toen wij op een gegeven dag merkten dat hij een konijn  had opgehangen aan de oude perenboom in het begin van zijn lange tuin. En wij hadden een groot konijnenhok met lieve konijnen, maar voor de Kerst of zo bracht vader ons te slachten konijn naar Brasjer in de Dwarsweg en kwam die schoon, zonder vel terug  Misschien hadden wij wel een beetje contact met Martin, degene die zo nu en dan wat reacties plaatst voor Epernet.

Ach, mijn ouderlijk huis. Het was een eenvoudig huis met twee kamertjes boven. Een slaapkamer voor Jan en mij en eentje voor zus An en later ook voor zus Nel, die een nakomertje was. Ouders sliepen beneden in het achterkamertje met een raam dat zicht gaf op de zandbak. Er werd later wel een douchecel aangelegd boven, zo tegen de achterkant van de zolder aan. Maar onze wekelijkse wasbeurt werd eerst in de teil gedaan, in de werkplaats naast de keuken. In de winter in de keuken. Toen wij niet meer in de teil pasten, werden wij eenmaal per week naar de Burgemeester van Walsumlaan gestuurd om aan het einde, zo tegen de Vlijtweg aan, te douchen in een speciaalzaak onder het toezicht van een in het wit geklede baddame. Die keek altijd wel in en achter onze oren om te zien of alles schoon was en toen, na betaling van wat centen, ons weer op huis aan stuurde.
Rond het huis lag veel grind, dat wekelijks door mijn vader geharkt werd. Het harkgeluid staat nog op mijn trommelvliezen. Een voorval had het grind als hoofdperoon. Het was oorlog. Mijn vader was bij een soort razzia opgepakt met  nog wat mensen uit de Parkweg. Zij hebben moeten lopen naar Zwolle, de IJsselbrug over en zo naar het zuiden, om in de buurt van Olst-Wijhe wat verdedigingswerken aan te leggen. Dat vaderloze bestaan duurde een paar dagen, totdat op een avond wij, geknield op de harde kokosmat, de rozekrans aan het bidden waren in de zitkamer en opeens iemand over het grind liep. Hij tikte ook tegen de toen verduisterde ramen. 'Dat moet vader zijn', zei mijn moeder, die de stappen van vader herkende en ja hoor, het was vader. Allemaal omhelzingen in de werkplaats, in de keuken en in de kamer. Hij was, samen met een overbuurman, gevlucht, over de IJsselbrug via de bomenrijke Heerderweg naar Epe gelopen.

Samen hebben zij een tijdje ondergedoken gezeten in een schuilhut in de grond achter in de tuin van de Zimmermans en ze zijn nooit meer gepakt.
Allemaal herinneringen die je bijblijven.

Ik sluit deze eerste aflevering af met een verhaaltje uit de oorlogsjaren

Op een zwoele augustusavond in het heftige oorlogsjaar 1944 kwam vader thuis van een fietstochtje door de IJsselvallei achter Oene. Moeizaam duwde hij zijn zware fiets over het losse grind, richting de werkplaats. Over het stuur en op de bagagedrager hingen, loom en zwaar, twee kleine jutezakken, vol met knollen zo te zien. Met wat driftige bewegingen deponeerde hij die ‘knollen’ op de rode cementen vloer en slaakte van vermoeidheid een zucht:
,,Suukerbiet’n, om stroop van te mak’n’’. Tja, echte boter was schaars in die dagen. Moeder maakte wel eens reuzel van spekkaantjes, wat heerlijk was op het donkerbruine roggebrood van de oude Bourgonje uit Zuuk. En stroop kon je, net als eigengemaakte jam, smeren op het niet altijd gare en met voedselbonnen gekochte brood. Dus weer even een pracht van een oplossing in een gezin met vier kinderen. De volgende dag waren vader en moeder, achter ons huis, al vroeg bezig met het wassen, drogen, schillen, hakken en kapot snijden van die lompe bieten. Rondom modder van de rivierklei. Zwaar werk, vooral ook omdat het een niet alledaagse ervaring was. De kleine stukken werden in een grote ronde zinken wasteil gegooid, gewassen en op het grote emaille petroleumstel (of op een houtvuur, dat weet ik niet meer) aan de kook gebracht. Zij volgden keurig het recept van de boer aan de IJssel en hebben bijna de hele middag, ombeurten, met hun grootste houten lepel geroerd, van rechts naar links en dan weer van links naar rechts. Soms gingen wij even kijken. De smurrie slonk wel en er bleef niet veel over. Een hoopje donkere, bruingele brei dat net in een anderhalve liter grote wekpot ging.
Dezelfde avond op brood de lekkernij geproefd en goedgekeurd. Anders dan appelstroop. Zoeter. Tevreden keken wij elkaar aan. Heerlijk!

Om acht uur of zo gingen mijn ouders moe maar voldaan en met een gerust gevoel naar hun zangrepetitie bij Eensgezindheid. Hoe lang zij wegbleven weet ik niet meer, maar zij kwamen niet terug zoals zij weggegaan waren. Toen zij, naar woorden van mijn moeder, via de achterdeur de keuken binnengingen, zagen zij, rechtsboven op het aanrecht, achter de al droge afwas, hun anderhalve liter wekpot staan met maar een klein beetje stroop erin. Hun stroopvoorraad, waar zij de hele dag hard aan gewerkt hadden, was met tweederde geslonken. Maar stroop slinkt niet. Hoe kan dat dan? Dieven in huis gehad? Onze Jan? De bui barstte los. Als een raket vloog mijn vader naar boven en ontplofte op ons dubbele bed, waar broer Jan van lekkere stroop droomde en ik van engeltjes. Gelukkig vielen de klappen en slagen aan de kant van de altijd schuldige broer Jan. Zus Annie in de naburige kamer heeft niets gemerkt en zus Nel was toen nog een baby. Later kwam moeder wel even langs om Jan alsnog wat te troosten, al was het niet met een lepel stroop. ,,Die jongen had toch zo’n honger en de verleiding was toch zo groot.''

 

Volgende week ga ik de markt op.

 

Laat je reactie achter

Reageer als gast

0
algemene voorwaarden.
  • Geen reacties gevonden

Terzijde

samen

Houd vol, we moeten met z'n allen door deze crisis. Houd rekening met elkaar en wees extra lief voor iedereen die dat nodig heeft.

 

Copyright www.epernet.nl

Niets mag zonder toestemming van de redactie worden overgenomen.